omgevingswet 2024

De Omgevingswet 2024

De Omgevingswet is na jarenlange uitstel en voorbereiding van kracht gegaan op 1 januari 2024. Overheidsprofessionals hebben nog veel vragen en onduidelijkheden. Duik in de complexe wereld van de nieuwe Omgevingswet en krijg inzicht in de veranderingen. In dit artikel vind je een samenvatting van de Omgevingswet, de impact, de kerninstrumenten en meer.

  • TEG Multisite Sites
  • koen
  • De Omgevingswet 2024
  • wat is de Omgevingswet?

    De Omgevingswet regelt alles wat met de inrichting, ontwikkeling en bescherming van de fysieke leefomgeving te maken heeft. Denk aan bouw, milieu, geluid, natuur, water, bodem en ruimtelijke ordening. De wet- en regelgeving hiervoor is complex. Met de komst van de Omgevingswet is dit stelsel een stuk eenvoudiger en flexibeler geworden. De Omgevingswet is ingegaan op 1 januari 2024.

    van 26 wetten naar 1 wet

    De Omgevingswet zorgt voor een minder complex stelsel van regels. Het bundelt en moderniseert alle wetten, algemene maatregelen en regelingen voor de leefomgeving.

    Van  Naar 
     26 wetten  1 Omgevingswet
     60 Algemene Maatregelen van Bestuur  4 Algemene Maatregelen van Bestuur
     75 ministeriële regelingen  1 Omgevingsregeling

     

    4 AMvB’s

    • Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
    • Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)
    • Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
    • Omgevingsbesluit
    wat is de omgevingswet

    Doel van de Omgevingswet

    De Omgevingswet kent drie doelen:

    1. Benutten én beschermen

    De wet wil een goed evenwicht bereiken tussen het benutten én beschermen van de leefomgeving. Dit is ook een belangrijke stap richting een duurzamer Nederland. Gemeenten krijgen meer beslisruimte om zelf invulling te geven aan de leefomgeving. Dat doen ze aan de hand van zes kerninstrumenten zoals de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan.

    De Omgevingswet is bedoeld om de fysieke leefomgeving te verbeteren en daarmee ook de kwaliteit van leven. In de huidige bestemmingsplannen is een gebied bijvoorbeeld voorbehouden aan kantoren. Straks kunnen zich hier gemakkelijker ook restaurants, scholen en sportfaciliteiten vestigen. Een uurtje sporten tijdens het werk of lunchen met je kind? Dat kan in dit voorbeeld gewoon, want de fitness en school zitten naast de deur. Zo wordt de leefomgeving meer divers. Dat leefbaarheid centraal staat, is in lijn met de wereldwijde trend van welzijn en gezondheid. Er is meer focus nodig op de kwaliteit van leven.

    Onderdeel van leefbaarheid is natuurlijk niet alleen diversiteit en welzijn. Ook duurzaamheid speelt een grote rol. De Omgevingswet stelt daarom gas- en stikstofvrij wonen en rijden voorop, zodat de leefomgeving ook bijdraagt aan een milieuvriendelijkere planeet.

    1. Participatie

    Er is meer ruimte voor ideeën vanuit de maatschappij met participatie. Burgers en bedrijven gaan meedenken en meebeslissen over de inrichting van de fysieke leefomgeving. De gemeente is vanaf het begin al betrokken bij de planvorming en helpt de initiatiefnemer om het plan passend te krijgen. Dit maakt de vergunningverlening ook eenvoudiger, overzichtelijker en sneller. Initiatiefnemers krijgen minder snel een ‘nee’ te horen. In plaats daarvan gaan belanghebbenden in dialoog om samen de gewenste projecten te realiseren.

    1. Digitaal stelsel

    Met behulp van één loket, het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), kunnen initiatiefnemers makkelijker ruimtelijke projecten starten en vergunningen aanvragen. In het DSO staan wat er is toegestaan in een gebied en andere informatie over de geldende regels.

    Samenvatting Omgevingswet

    Er verandert dankzij de Omgevingswet veel voor gemeenten. Zij stellen een eigen, veelomvattende, integrale visie en een plan op. Hieraan worden alle ruimtelijke projecten getoetst. Zo ontstaat er meer vrijheid om de lokale leefomgeving te ontwikkelen.

    Voor overheidsprofessionals betekent de Omgevingswet een heel nieuwe manier van werken. In plaats van vergunningsaanvragen te toetsen, denken casemanagers nu al vanaf de start mee met de initiatiefnemer. De rol verschuift van toetser naar adviseur en regisseur. Ook begeleiden zij participatie.

    De invoering van de Omgevingswet betekent ook een grote digitaliseringsslag. Het landelijke Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) doorbreekt de gemeentelijke kokers.

    De Omgevingswet stelt dat gemeenten, initiatiefnemers, bedrijven en burgers samen verantwoordelijk zijn voor de leefomgeving.

    Aan de slag met de Omgevingswet

    Met de nieuwe Omgevingswet krijgen gemeenten meer eigen regie op de leefomgeving. Hoe benut je de omgeving optimaal terwijl je die tegelijkertijd beschermt? Om die complexe vraag te beantwoorden in de praktijk, biedt de Omgevingswet zes kerninstrumenten. Deze vervangen huidige instrumenten zoals structuurvisies en bestemmingsplannen. Ontdek met welke instrumenten je de Omgevingswet toepast.

    kerninstrumenten van de Omgevingswet

    1. Omgevingsvisie

    De gemeente stelt een eigen Omgevingsvisie op met daarin de beleidsdoelen en ambities voor de lange termijn. De Omgevingsvisie dwingt gemeenten om alle losse visies (en bijbehorende belangen) samen te brengen en af te wegen in één integrale visie. Denk aan cultureel erfgoed, water, wonen, milieu, landschap, gezondheid, bodemkwaliteit, mobiliteit, economie en vestigingskwaliteit.

    De omgevingsvisie komt in de plaats van gebiedsdekkende structuurvisies, sommige delen van de natuurvisie, verkeers- en vervoersplannen, strategische gedeelten van nationaal en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen.

    2. Het programma

    Het programma is een flexibel beleidsdocument dat de overheid kan toepassen in verschillende fasen van de beleidscyclus. Dit instrument is een waardevolle toevoeging, omdat het een beleidsinstrument is met een uitvoeringsgerichte focus. Door middel van dit instrument kan een gemeente zorgen dat bijvoorbeeld duurzaamheidsdoelen gehaald worden.

    3. Het omgevingsplan en de omgevingsverordening

    Het uitgangspunt van de Omgevingswet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving samenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Voor de gemeente is dit het omgevingsplan en voor de provincies is dit de omgevingsverordening.

    Omgevingsplan

    Alle keuzes die de gemeente in de Omgevingsvisie maakt, worden uitgewerkt in een Omgevingsplan. Dit is beslist geen bundeling van alle huidige bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Die zijn namelijk gericht op de planologische aspecten. Het Omgevingsplan reikt verder dan dat en bevat alles wat met de leefomgeving te maken heeft. Denk aan:

    • Bouwwerken
    • Infrastructuur
    • Watersystemen
    • Water
    • Bodem
    • Lucht
    • Landschappen
    • Natuur
    • Cultureel erfgoed en werelderfgoed

    Let er ook op dat de gemeente maar één Omgevingsplan kan hebben voor het hele gebied. Momenteel zijn dat meerdere losse bestemmingsplannen. Zodoende is het Omgevingsplan algemener en flexibeler van aard.

    Omgevingsverordening

    De Omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de leefomgeving. Dit vervangt alle bestaande verordeningen zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening.

    • Bescherming van werelderfgoed en cultureel erfgoed
    • Bescherming van het natuurnetwerk Nederland, inclusief Natura 2000
    • Stiltegebieden
    • Grondwaterbeschermingsgebieden
    • Beperkingengebieden lokaal spoor

    4. Algemene rijksregels

    Deze regels maken inzichtelijk wat uit een oogpunt van nationaal belang wel en niet is toegestaan in de fysieke leefomgeving. Onder de Omgevingswet worden deze regels gebundeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit zorgt voor meer uniformiteit en beter hanteerbare regels. Daarnaast zijn algemene regels straks van toepassing op alle beleidssectoren van de Omgevingswet. Dit verlicht de administratieve lasten, maar hierdoor moeten overheden wel meer toezicht houden.

    5. De omgevingsvergunning

    De Omgevingswet introduceert geen andere of nieuwe vergunningplichtige activiteiten. Maar zorgt er wel voor dat een vergunning niet meer automatisch verleend wordt als de beslistermijn is verstreken.

    6. Het projectbesluit

    Onder de Omgevingswet maakt dit projectbesluit omvangrijke publieke projecten mogelijk. Dit instrument kun je zien als de opvolger van het inpassingsplan uit de Wro, het Tracébesluit uit de Tracéwet en het projectplan uit de waterwet.

    casemanager opleiding

    casemanager worden?

    De vergunningverlener wordt een regisseur, adviseur en procesbegeleider. Werk je bij koen, dan leiden we jou op tot volwaardig specialist onder de Omgevingswet.

    Participatie Omgevingswet

    De Omgevingswet stelt dat gemeenten, initiatiefnemers, bedrijven en burgers samen verantwoordelijk zijn voor de leefomgeving. Vroegtijdige participatie is dan ook één van de pijlers. Het doel is om belangen, meningen en creatieve oplossingen in kaart te brengen en deze mee te nemen in de besluitvorming.

    In de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling staan regels voor participatie. Gemeenten, provincies en waterschappen bepalen zelf welke vorm participatie krijgt. In de kerninstrumenten moeten zij vastleggen hoe belanghebbenden zijn betrokken en met welk resultaat. Ook moeten de overheden een participatiebeleid opstellen.

    In de Omgevingsvergunning is de initiatiefnemer aan zet. Hij of zij moet vóór het indienen van de vergunningsaanvraag de omgeving betrekken bij het plan en hierover verslag uitbrengen in de aanvraag.

    ook interessant

    omgevingsvergunning bouw (Wabo)

    De omgevingsvergunning voor de bouw (Wabo) splitst zich op in een technisch deel en een ruimtelijk deel. Onder de Omgevingswet zijn dus twee afzonderlijke omgevingsvergunningen nodig om te mogen bouwen:

    • Een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit
    • Een omgevingsvergunning voor een (bouw) omgevingsplanactiviteit

    Een ontwikkelaar wil namelijk vaak eerst duidelijk krijgen of een bouwplan ruimtelijk gezien wel mogelijk is. Pas bij een voorlopige ‘go’ werkt de initiatiefnemer het plan verder (technisch) uit. Deze knip beperkt naar verwachting de onderzoeklast.

    het Bbl Omgevingswet

    De regels voor technische bouwkwaliteit staan straks in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze toets is vergelijkbaar met de toets die eerst in de Wabo plaatsvindt. Voor gemeenten neemt het aantal technische bouwtoetsen waarschijnlijk af. Ook de rijksregels voor het brandveilig gebruiken van bouwwerken staan straks in het Bbl. Hierin komen de bestaande vergunningplichtige activiteiten samen uit de Wabo en de meldingplichtige activiteiten uit het Bouwbesluit 2012.

    buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)

    Als na inwerkingtreding van de Omgevingswet blijkt dat een activiteit in strijd is met regels uit het omgevingsplan, moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning voor een zogenoemde buitenplanse omgevingsplanactiviteit aanvragen. De gemeente kan een dergelijke omgevingsvergunning alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

    het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO)

    Alle informatie over de leefomgeving is online beschikbaar op één plek: het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Hier staan alle plannen, beslissingen en vergunningen van het Rijk, provincie, de gemeente en de waterschappen. Vergunningen aanvragen verloopt ook via het DSO. Initiatiefnemers kunnen in één oogopslag zien wat er mag in de leefomgeving. Bijvoorbeeld de regels en eisen rondom bouwhoogte, veiligheid, geluid en bodemkwaliteit. 

    Voordelen DSO

    Vergunningverleners hebben met het DSO gemakkelijker toegang tot informatie die van belang is voor het afhandelen van aanvragen. Dit maakt een betere toetsing en begeleiding van de initiatiefnemers mogelijk. Gemeenteambtenaren kunnen dankzij het DSO burgers en ondernemers sneller helpen doordat zij beter meedenken en beter doorverwijzen.

    Het DSO vervangt drie websites: het Omgevingsloket Online (OLO), Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) en Ruimtelijkeplannen.nl. Deze websites werden gebruikt voor onder andere het toetsen van bestemmingsplannen. Elke gemeente moet zijn aangesloten op het DSO. Dit is een stelsel met een landelijke voorziening samen met lokale systemen van overheden.

    De gemeente wordt een regisseur in plaats van een waakhond. Ze kijken niet meer naar wat níet mag, zoals nu in de bestemmingsplannen. Ze kijken juist naar wat wél mag.

    Omgevingswet impact voor gemeenten

    Dit zijn de vier belangrijkste veranderingen voor gemeenten:

    1. Een integraal beleid

    Gemeenten hebben op dit moment verschillenden soorten beleid. Een jeugdbeleid, onderwijsbeleid, seniorenbeleid, milieubeleid en ga zo maar door. De huidige bestemmingsplannen integreren die beleidsstukken niet. Het omgevingsplan wel. Het wordt een volledige benadering van de fysieke leefomgeving.

    Dat betekent ook dat binnen gemeenten het sociaal domein en ruimtelijk domein verweven raken. Zij versterken elkaar straks binnen één centrale afdeling Omgeving.

    1. Vooral regisseurschap

    De Omgevingswet bundelt 26 wetten in één. De strenge bestemmingsplannen gaan de prullenbak in. De gemeente toetst straks alle initiatieven aan het omgevingsplan. Die formuleert de gemeente op basis van hun eigen omgevingsvisie.

    De gemeente wordt een regisseur in plaats van een waakhond. Ze kijken niet meer naar wat níet mag, zoals nu in de bestemmingsplannen. Ze kijken juist naar wat wél mag. En wat de initiatiefnemer moet doen om z’n project te laten passen in het omgevingsplan waar diversiteit, duurzaamheid en welzijn centraal staan.

    Gemeenten beoordelen of het initiatief bijdraagt aan het omgevingsplan, vragen of je de technische toets gehaald hebt en checken of je voldoende participatie hebt geïnitieerd. Zo ja: vergunning verleend. Hun taak zit hem dus veel minder op de punten en komma’s, maar juist op het overkoepelende plan voor de gemeente.

    1. Meer participatie

    De vergunningaanvrager krijgt meer verantwoordelijkheid om zelf met de buurt in gesprek te gaan over z’n initiatieven. Maar de gemeente heeft daarin wel een stimulerende en faciliterende rol. Hoe zorg je dat de burger en andere belanghebbenden meer invloed krijgt? En dat de burger die verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk neemt?

    1. Technische toets verhuist

    De technische toets wordt straks door het bedrijfsleven verzorgd onder de wet private kwaliteitsborging. Daardoor lopen gemeenten opbrengsten mis. Echter hebben ze ook geen mensen meer nodig die de technische toetsen coördineren en uitvoeren. Deze mensen kunnen aan de slag in het bedrijfsleven óf doorgroeien naar een regisseursrol.

    Omgevingswet impact voor burgers

    Inwoners krijgen meer invloed, waardoor gemeenten participatie moeten initiëren. Vóór 2024 vroeg een initiatiefnemer een vergunning aan bij de gemeente. De gemeente checkte of dit past in het bestemmingsplan en vroeg vervolgens via het buurtkrantje of er bezwaren waren. In de Omgevingswet moeten initiatiefnemers éérst zelf met de buurman gaan praten. Pas als de buurt akkoord is, kan de initiatiefnemer naar de gemeente toe stappen.

    hogere kosten, hogere kwaliteit

    Een nadeel voor burgers? Hogere kosten voor de vergunningen. De technische toets die momenteel bij de gemeente ligt, is kostendekkend. Straks schakel je daarvoor een bedrijf in. Die wil winst maken, dus gaat de technische toets je meer kosten.

    Een groot voordeel is wel dat de kwaliteit van de technische toets en daarmee ook de kwaliteit van bouwen omhoog gaat. Met een goede toetsing komen aannemers niet langer weg met middelmatig werk. Je krijgt zodoende meer waar voor je geld.

    Omgevingswet impact voor de civiele techniek en bouw

    Gemeenten kampen met een chronisch tekort aan vergunningsverleners en technische toetsers. Mede daardoor verschuift de technische toets naar het bedrijfsleven. Dit wordt straks geregeld in de wet private kwaliteitsborging, die tegelijkertijd met de Omgevingswet ingaat.

    Deze wet is bedoeld om de bouwkwaliteit te verbeteren. Het bedrijfsleven zal de check veel secuurder uitvoeren omdat zij hierop winst kunnen maken. Bij gemeenten was de technische toets kostendekkend.

    De eindverantwoordelijkheid voor de technische toets ligt straks bij projectbegeleidingsbureaus en architectenbureaus. Zij laten de technische toets uitvoeren door een onafhankelijke aannemer. Dat moet dus een andere aannemer zijn dan degene die het project uitvoert.